Weidevogelreservaat
Uitkerkse Polder

kievit


broedvogels 2017



  2017 2016 2015 2014 2013 1990
grutto 153 187 180 212 225 60
kievit 259 306 299 451 434 224
tureluur 93 100 100 108 121 6
scholekster 42 47 61 75 72 23
kluut 57 78 80 105 94 4
kl.plevier 1 0 1 1   0
steltkluut 10 1 0 1 1 0
wilde eend 262 261 246 290 304 60
bergeend 65 78 68 86 101 17
slobeend 29 54 53 78 79 11
zomertal. 3 11 5 2 6 1
wintertal. 8 25 2 18 13 4
kuifeend 18 16 10 12 17 1
krakeend 37 33 24 27 30 0
pijlstaart 1 1 0 1   0
smient 3 2 4 1 4 0
gr.gans 102 65 94 92 97 0
meerkoet 95 113 106 117 84 6
can.gans 79 48 31 29 35 0
kokmeeuw 11 25 48 98 17 0
visdief 3 2 0 44 24 0
veldleeuw 99 90 83 100  
graspieper 116 132 113 135  
rietzanger 319 329 323 294  
kl.karekiet 179 199 194 169  
rietgors 78 79 83 83  
blauwborst 52 55 58 65   0
gele kwik 26 34 28 28  
witte kwik 4 8 ? 3  
kwartel 6 3 7 7  
patrijs 17 18 15 14  
torenvalk 6 5 ? 4  
bruine kiek 2 1 1 2 2
Velduil 1 1        
roodborsttapuit 26 13 13      


volledig verslag broedvogels 2006
volledig verslag broedvogels 2005

broedende zangvogels 2001


Ook voor zangvogels is de Uitkerkse Polder een belangrijk broedgebied. Zangvogels zijn echter moeilijk te tellen: ze vallen veel minder op en in een groot gebied als de polder is het bijna onmogelijk alle slootjes en hoekjes af te speuren. Dit jaar deden we een extra inspanning om ook van deze groep een beeld te krijgen van de aanwezige aantallen. Dit is ons vrij goed gelukt en het levert ons enkele nieuwe merkwaardige gegevens op.

Een eerste groep zangvogels is deze van de op de graslanden broedende soorten: het zijn dus echte weidevogels. Van deze groep is de veldleeuwerik in Uitkerke met 140 koppels nog steeds het talrijkst. Ze broeden vooral in de zuidelijke gedeelten van de polder, in de Kuststrook en de Velduilweiden zijn ze veel minder talrijk. Het aantal lag iets minder hoog dan vorig jaar, als vroeg broedende soort zijn door de koude waarschijnlijk ook maar weinig jonge veldleeuweriken opgegroeid. Dit is niet zo gunstig omdat juist veldleeuweriken tegenwoordig erg bedreigd zijn en enorm zijn achteruitgegaan, in veel poldergebieden zijn ze zelfs al volledig als broedvogel verdwenen. De graspieper deed het dan weer wat beter: traditioneel zitten er half zoveel graspiepers als leeuweriken (vorig jaar bijvoorbeeld 75 tegenover 150), dit jaar zaten er 94 koppels graspiepers tegenover maar 140 leeuweriken. Graspiepers broeden gelijkmatig verdeeld over de hele polder, daardoor zijn ze in de noordelijke delen zelfs talrijker dan de veldleeuwerik. In de eerste helft van juni, als veel leeuweriken de polder al verlaten hebben, zijn de meeste graspiepers nog volop hun jongen aan het voeren. Hierdoor hebben ze dit jaar wellicht ook een veel groter broedsucces gehad. De gele kwikstaart is minder talrijk dan beide vorige soorten en broedt vooral op kruidenrijke graslanden en in de buurt van akkers: dit jaar zaten er 25 koppeltjes. Een verwante soort is de witte kwikstaart: het is eigenlijk geen echte weidevogel, een 5-tal koppeltjes nestelde vooral in de buurt van boerderijen. Van de tapuit vragen we ons al jaren af of er niet af en toe eentje in Uitkerke zou broeden. Ze zijn nl. elk jaar talrijk aanwezig in mei tijdens de voorjaarstrek. Dit jaar zagen we er voor het eerst met zekerheid eentje met voedsel voor zijn jongen. Een nieuwe broedvogelsoort dus.

Een tweede groep zangvogels omvat de soorten die in de rietkragen van sloten en plassen nestelen. Over de aantallen konden we tot nu toe alleen maar vage schattingen maken, wat niet verwonderlijk is als je weet dat de Uitkerkse Polder 180 kilometer sloten bevat. Dit jaar besloten we het wat grondiger te doen en systematisch de broedvogels in een zo groot mogelijk aantal sloten te tellen.

Van de 180 kilometer sloten (waarbij de talrijke ondiepe laantjes niet zijn meegeteld) zijn er naar schatting 75 kilometer begroeid met rietkragen. De andere zijn ofwel recent uitgediept waardoor er nog geen of nauwelijks riet aanwezig is, te sterk verland waardoor andere, lagere planten de bovenhand kregen, of gekanaliseerd met betonnen oeververstevigingen zoals bijv. de Blankenbergse vaart en sommige grotere sloten. Van de 75 kilometer met riet begroeide sloten werden 17 kilometers nauwkeurig geteld, door die aantallen met 4,4 te vermenigvuldigen komen we dus aan een vrij nauwkeurige schatting van het werkelijke aantal aanwezige rietvogels. Hierbij moeten dan nog de aantallen bijgeteld worden die op de rietmoerasjes bij de Groenwaecke en in de oude kleiputten van Wenduine nestelen. De resultaten zijn vrij opmerkelijk. In totaal broeden 580 koppels rietbewonende zangvogels in de Uitkerkse Polder. Infeite is dit een minimumaantal omdat er hier en daar ook nog wel eentje nestelt op plaatsen met een minimum aan riet en ruigte die niet in de 75 km zijn meegeteld. Binnen die 75 km met rietkragen begroeide sloten is de gemiddelde dichtheid 1 koppel per 130 meter. In werkelijkheid varieert die dichtheid nogal: de grootste aantallen troffen we aan in het zuiden van de Gruttoweiden waar de sloten volledig begroeid zijn met brede, overjarige rietkragen: in één bepaalde sloot van 400 meter nestelden hier 12 koppels behorend tot 3 soorten, dit is één per 33 meter. In totaal gaat het om 4 soorten, de totalen voor Uitkerke bedragen 278 paar rietzangers, 243 kleine karekieten, 47 rietgorzen en 18 blauwborsten.

De talrijkste soort blijkt dus niet de kleine karekiet te zijn zoals we altijd al dachten maar de rietzanger: de populatie in de Uitkerkse Polder kan vrij nauwkeurig op 278 koppels geschat worden, een opmerkelijk resultaat voor deze sterk bedreigde soort die al vele jaren in grote delen van Vlaanderen volledig verdwenen is. Dat ze in Uitkerke steeds hebben standgehouden wisten we, maar het aantal overtreft toch alle vroegere schattingen. De kleine karekiet is een minder bedreigde soort dan de rietzanger maar is in de polder toch wel kieskeuriger wat de nestplaats betreft. Dit verklaart het lagere aantal van 243 koppels. Karekieten nestelen enkel in de overjarige rietkragen waar ze, dank zij de aanwezigheid van de oude rietstengels, hun nesten voldoende stevig kunnen ophangen. Om diezelfde reden zijn ze in de rietvelden van de oude kleiputten en bij de Groenwaecke talrijker dan de rietzanger. De rietgors moet het dan weer hebben van rietkragen waar op de oever ook wat ruigte aanwezig is. De populatie in Uitkerke is vrij stabiel (47 koppels). De blauwborst is een recentere broedvogel in Uitkerke die ongeveer hetzelfde biotoop verkiest als de rietgors. Het aantal van 18 koppels is een minimum: blauwborsten stellen weinig eisen en nestelen ook op plaatsen met een minimum aan riet of ruigte waardoor er zeker ook nog een aantal zitten in de gedeelten van de polder waar sloten met zeer weinig begroeiing voorkomen.

De telling van zangvogels in de rietkragen levert niet alleen interessante gegevens op i.v.m. de aanwezigheid van elders sterk bedreigde soorten als de rietzanger, ook naar de toekomst toe zijn deze gegevens belangrijk. In het natuurinrichtingsplan is bijvoorbeeld voorzien dat de vroeger gekanaliseerde oevers van de Blankenbergse vaart opnieuw natuurvriendelijk zullen ingericht worden. Dank zij de bovenstaande gegevens weten we nu al dat, wanneer op beide oevers van de Blankenbergse vaart weer rietkragen zullen groeien, deze niet alleen nestgelegenheid zullen bieden aan eenden, meerkoeten en andere watervogels, maar ook aan minstens een 50-tal koppeltjes karekieten en rietzangers.